DE SCHIPBREUK VAN DE “OUDE ZIJPE”


Al gaande zijn wij met het schip, genaamd de “Oude Zijpe”, gevoerd door de schipper Joost de Wijker en bemand met 90 zielen, gedetineerd naar het vaderland en op 15 december van het jaar 1741 uit Batavia vertrokken, voor de Kamers Hoorn en Enkhuizen; zijn wij de laatste januari 1742, de straat Soenda uitgezeild en op 22 april in de baai van de Kaap de Goede Hoop in goede welstand aangekomen.

Daarop hebben wij de kust van Afrika verlaten en geen land meer ontdekt dan op 16 september, wanneer wij de Sortings zagen. De 18e passeerden wij de Hoofden en op de 19e weer land ziende bevonden wij ons tussen Egmond aan Zee en Petten. In de morgen van de twintigste kregen wij twee loodsen aan boord en zijn tegen de avond voor anker gegaan ter hoogte van Egmond aan Zee. In de nacht verhief zich een zware storm uit het Noord – Westen met zulk een verschrikkelijke onstuimige zee, dat de ervaren zeelieden, ja zelfs de schipper, die reeds tien tochten had gedaan, getuigde nooit iets dergelijks gezien te hebben. Tijdens de storm met hoge zeeën en met steeds toenemende felle rukwinden, verloren wij in de middag van de een en twintigste ons anker. Vervolgens wierpen wij onder het voortdurend slingeren van het schip en de woedende en stuivende baren wederom twee ankers uit. Het volk, nu in dood angst gekomen, wilden de schipper dwingen om de mast te kappen, maar de schipper, een zeer ervaren zeeman, hield dit met al zijn macht tegen, wel wetende dat een onvermijdelijke dood hen wachten stond als het schip met hoofden aan de woedende zee overgegeven zou worden, het water zal ons overspoelen als we met alles in de branding geworpen zouden worden.

In deze jammerlijke toestand, zijn beiden ankertrossen gebroken, zodat wij genoodzaakt waren om zeilen bij te zetten, om als het mogelijk was van lager wal af te komen, maar tijdens het uitzetten verloren wij ze ten dele en de overige werden door de wind aan flinters geslagen. Hierop konden wij niet anders tegemoet zien dan een ellendige schipbreuk, zodat wij uiteindelijk moesten besluiten om het schip regelrecht op het strand te laten lopen, met de hoop op Gods genadige bijstand om gered te worden uit het gevaar en de angst voor de dood, dat onze harten zo beklemt hield, zodat we nauwelijks konden spreken. Aldus door de wind voortgedreven, zijn wij in de nacht van vrijdag op zaterdag van de 21 en 22 september om ongeveer één uur, onder een afgrijselijk en ijselijk gebons en gekraak van het schip over de bank geraakt, terwijl het roer door de schipperskajuit heen stoot en weg dreef. Het tweede male kregen wij water van achter over het schip, dat tot ons geluk vlot bleef omdat het vanachter zwaarder beladen was, daar kwam wederom een geweldige zee die zelfs tot boven de zeilen van de bezaansmast heen sloeg en ons over de andere banken, onder een verschrikkelijk geruis en gekraak van het schip, voort dreef waarna een dergelijke zeegolf ons zodanig voortzette dat het schip dicht aan het duin vast raakte, alwaar het gedurig door de bruisende golven overstroomd werd. Het is onmogelijk te beschrijven welk een angst, benauwdheid en verschrikking voor de dood onze zielen bevangen hield. Hier ondervonden wij het geen Koning David zegt in zijn honderd en zevende Psalm:
‘Die met schepen ter zee afvaarten, handel doende op groote wateren, die zien de werken des Heeren, en de zijn wonderwerken in de diepten. Als Hij spreekt; zo doet Hij ene stormwind opgaan, die haare golven omhoog verheft, zij rijzen op na den Hemel, zij daalen weder tot de afgrond, hare zielen versmelt van angst.Zij dansen en waggelen als een dronken man, en al haare wijsheid wordt verslonden’.

Nadat wij in die angst verscheidene noodschoten gedaan hadden, is in de morgen om ongeveer 9.00 uur enig scheepsvolk vrijwillig met de boot naar het land gevaren, maar niet zonder groot gevaar door de aanhoudende storm. Kort daarna kwam vlot aangevaren een visserspink met een bemanning van twaalf, met aan boord de heer Jan van der Mije Schout van Zandvoort, die hen aanmoedigde. De redders hebben zich, bij deze droevige omstandigheden, edelmoedig en onvermoeid gedragen, om ons leven, evenals de goederen van de Edele Heren van de Maatschappij te redden. Zodat wij, door de genade van de Almachtige God, zonder iemand te verliezen, behouden aan land zijn gekomen. Wij bevindende ons gestrand te wezen een half uur gaande benoorden het dorp Zandvoort, met het schip liggende genoegzaam op haar zijde. Het is aanmerkelijk dat dit schip, de “Oude Zijpe”, en meerderen van die naam zijnde, mede een ongeluk gehad hebben om gelijk te blijven, gelijk de twee vorige bezuiden de Kaap die mede op reis naar het vaderland zijn gestrand. Laat ons dan de Almachtige danken voor zijn barmhartigheid. Laat ons die gered zijn uit de strikken van de Dood, hem onze verlosser te dienen alle dagen van ons leven, opdat Hij op ons passen het geen in de aangehaalde 107 psalm verder gezegd wordt:

Roepende tot de Heer in benauwdheid die zij hadden, zo voerden hij ze uit haar angst, hij doet de storm stil staan en dat ze gestold zijn, en dat hij ze tot de haven haar begeerte geleid heeft. Laat ze voor de Heer zijn goedertierenheid loven en zijn wonderwerken voor de kinderen van de mensen Hem verhogen in de gemeente van het Volk en in de stoel van de Oudsten hem noemen.

Eynde.

Kijk ook eens bij De stranding van de Gaffelschoener “ SCHOUWEN II ”, Klik HIER
Kijk ook eens bij De stranding van de “ ALBA ”, Klik HIER


Info over het copyright Klik hier